Vrouwenkiesrecht in 1919, geen reden tot feesten voor Wilhelmina Drucker

-  
Wilhelmina Drucker maakt straatpropaganda voor Grondwettelijke gelijkstelling van Man en Vrouw, 1914 Wilhelmina Drucker maakt straatpropaganda voor Grondwettelijke gelijkstelling van Man en Vrouw, 1914 (fotograaf onbekend, Nationaal Archief/collectie Spaarnestad/Het Leven)

Wilhelmina Drucker was niet van de partij bij het overwinningsfeest van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VVK). Die vierde op 27 september 1919, tegelijk met het 25-jarig bestaan, een wijziging van de kieswet als haar grote succes: de invoering van vrouwenkiesrecht. Drucker, de initiatiefneemster van de VVK had daarentegen als doel van de vereniging steeds vastgehouden aan gelijkstelling van de seksen in de grondwet. Zij bleef al drie decennia lang bij haar in 1890 geformuleerde uitgangspunt dat vrouwen ‘rechtens’ gelijk behoorden te zijn aan mannen: ‘De Wet moet slechts erkennen: “menschen” zonder commentaren.’[1] In de grondwetsartikelen die het kiesrecht regelden mocht er dus evenmin verschil worden gemaakt tussen mannen en vrouwen.

De toenmalige politieke machtsverhoudingen maakten die grondwettelijke gelijkstelling niet gemakkelijk bereikbaar. Drucker betoonde zich echter door de jaren heen de doorgewinterde feministe die het einddoel steeds voor ogen hield, mét de bijbehorende politieke strategie die de vrouwenkiesrechtbeweging volgens haar nodig had om het te bereiken. Ze volgde het parlementaire nieuws zorgvuldig en voorzag het langjarige touwtrekken tussen de politieke partijen over kiesrechtuitbreiding van scherpe analyses in haar eigen tijdschrift. Die artikelen in Evolutie maken het mogelijk de manoeuvres van de heren politici stapsgewijs te volgen en te zien hoe, waar het om kiesrecht ging, álle politieke partijen álle vrouwen in de steek lieten. Drucker zelf bleef koersvast en kon daarom niet tevreden zijn toen het vrouwenkiesrecht in 1919 in de kieswet kwam.

November 1912: het concentratieprogram

Drucker trad energiek in haar rol van radicaal-feministische luis in de pels van de VVK toen er in 1912 – eindelijk – zicht kwam op een wijziging van de kiesrechtartikelen in de grondwet. Zo bepaalde artikel 80 sinds 1887 dat de leden van de Tweede Kamer werden gekozen door ‘de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand bezitten’. Daarmee waren niet alleen alle vrouwen uitgesloten, maar was ook algemeen mannenkiesrecht onmogelijk. Wel was inmiddels het aandeel van alle volwassen mannen dat aan de in de kieswet van 1896 vereiste kenmerken voldeed, gestegen tot ongeveer twee derde, zodat voor die helft van de bevolking een uitbreiding naar algemeen kiesrecht geen groot verschil meer zou betekenen.

Zo’n kiesrechthervorming met als doel algemeen mannenkiesrecht – in het toenmalige politieke spraakgebruik meestal aangeduid als ‘algemeen kiesrecht’ – had in 1911 eindelijk ook de steun gekregen van de Bond van Vrije Liberalen (BVL). Daarmee hadden de twee zich liberaal noemende partijen (naast de BVL was dat de Liberale Unie) de kant gekozen van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB). Deze laatste twee hadden allebei al vanaf hun oprichting (respectievelijk in 1894 en 1901) algemeen kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen in hun programma staan.[2] Als de vier partijen bij de verkiezingen van 1913 samen een Kamermeerderheid zouden krijgen, maakte een kiesrechthervorming kans. En daarbij kón vrouwenkiesrecht meteen worden meegenomen, maar dan moesten die partijen zich daar wel hard voor maken. Alom werd met spanning uitgekeken naar het programma waarmee de vrijzinnige concentratie, het samenwerkingsverband van BVL, Liberale Unie en VDB, de Kamerverkiezingen van 1913 wilde ingaan.

Dat zogenaamde concentratiemanifest verscheen in november 1912 en Wilhelmina Drucker fileerde het in Evolutie meteen. Haar kritiek richtte zich op de VDB, die als ononderhandelbare voorwaarde voor een stembusakkoord wél het verankeren van algemeen mannenkiesrecht in de grondwet had geëist, maar had toegegeven op het punt van het vrouwenkiesrecht. De barrière daartegen moest volgens het akkoord namelijk wel uit de grondwet verdwijnen, maar dan zonder dat vrouwen meteen daadwerkelijk kiesrecht kregen. Wel beloofde het manifest de mogelijkheid te openen dat in de toekomst vrouwenkiesrecht in al of niet beperkte vorm door de gewone wetgever zou worden ingevoerd. Volgens Drucker was dit voor vrouwen een achteruitgang, want zij verwachtte dat een volgende grondwetswijziging wel wéér een kwart eeuw op zich zou laten wachten, immers: ‘Eenmaal het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, bestaat er voor de politici geen enkele reden om het kiesrechtvraagstuk voorlopig weer aan de orde te stellen.’[3] Daarom hoopte ze dat de VVK zich er niet toe zou laten verleiden de vrijzinnige concentratie te steunen, want de beloften van deze partijen aan de vrouwen konden gemakkelijk loos blijken te zijn. Na invoering van het algemeen mannenkiesrecht zouden namelijk niet de concentratiepartijen het voor het zeggen hebben, maar zou het eerst de beurt zijn aan de kiezers – inclusief de kroeglopers en andere nietsnutten die dan ook zouden mogen stemmen.[4] En hoe de politieke machtsverhoudingen dan uitpakten was ongewis.

Drucker wijdde ook harde woorden aan twee andere elementen van het vrouwenkiesrechtstandpunt in het concentratieprogram. Ten eerste aan de voorwaarde dat een ooit mogelijk in te voeren vrouwenkiesrecht niet mocht worden beperkt door ‘eischen van maatschappelijken welstand’. Ze noemde die bepaling ‘droef, maar niettemin lachwekkend’, en vermoedde dat ze door de heren van de concentratiepartijen was ingelast om te voorkomen dat de SDAP hen ervan kon betichten ‘dameskiesrecht’ na te streven en om die reden haar steun aan de concentratie te onthouden. Dat had Drucker goed gezien, want na de verkiezingen zou blijken dat de concentratie die SDAP-steun inderdaad hard nodig had. In de tweede plaats aan het voorstel om nu wél meteen de verkiesbaarheid van vrouwen, het zogenaamde passief kiesrecht, in de grondwet op te nemen. Dat zou op een ramp uitdraaien, want als vrouwen niet zelf mochten meestemmen zou het hoogstens een of twee vrouwelijke Kamerleden opleveren, die bovendien gekozen zouden zijn als ‘partij-figuur’, dus juist geen vrouwen die voorstandster waren van ‘vrouwen-ontvoogding’.[5]

De inmiddels 65-jarige Wilhelmina Drucker verwees er zelf niet naar, maar zo kort na het overlijden van haar medestrijdster Dora Haver (op 1 november 1912) zal ze bij het schrijven van dit commentaar hebben teruggedacht aan het begin van de jaren 1890. In die tijd had zij samen met Haver geprobeerd het vrouwenkiesrechtstreven te integreren in de brede beweging voor ‘algemeen kiesrecht’. Pas toen dat een illusie was gebleken – omdat leidende sociaaldemocraten als Frank van der Goes en Pieter Jelles Troelstra de strategie voorstonden dat eerst alle mannen kiesrecht moesten krijgen voordat welke groep vrouwen dan ook aan de beurt was – hadden zij het initiatief genomen tot een afzonderlijke vereniging voor vrouwenkiesrecht.[6] Nu, bijna twintig jaar later, constateerde Drucker dat de vrouwenkiesrechtbeweging groot genoeg was geworden om zich onafhankelijk van de politieke partijen te kunnen blijven opstellen. Dat was volgens haar nodig in deze nieuwe fase van de strijd, nu het concentratieprogram liet zien dat vrouwen voor hun kiesrecht zelfs van de zich vrijzinnig noemende partijen niets te verwachten hadden. Daarom moest de vrouwenkiesrechtbeweging zich niet laten ‘exploiteeren’ door de concentratie te steunen, maar die laten voor wat zij was: ‘masculinistisch gedoe.’[7]

1903: twee wijzigingsvoorstellen

Nu verbaasde de passage over vrouwenkiesrecht in het concentratieprogram Drucker niet. Het was alweer ruim negen jaar geleden, in 1903, dat zowel de VDB als de SDAP in de Tweede Kamer voorstellen tot grondwetswijziging hadden ingediend – tevergeefs, want er zou niets mee gebeuren. Ook toen werden, net als in 1912, deze twee fracties al aangevoerd door respectievelijk Hendrik Lodewijk Drucker (haar tien jaar jongere halfbroer) en Troelstra. Ondanks het overeenkomende principe in beide partijprogramma’s – algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht – waren hun voorstellen verschillend geweest. De SDAP-fractie had in 1903 het vrouwenkiesrecht nog niet meteen willen invoeren, maar wel alvast de algehele blokkade ervan in de grondwet willen schrappen. In de (gewone) kieswet zou vervolgens een geleidelijke invoering ervan kunnen worden geregeld, maar dan uitdrukkelijk niet op grond van een welstandscriterium: ‘dameskiesrecht’ moest worden uitgesloten.[8] Ook de VDB-fractie had in 1903 een geleidelijke invoering van vrouwenkiesrecht voorgesteld, met het argument dat haar principe van algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen nu eenmaal nog niet ‘algemeen genoeg doorgedrongen’ was. Maar de VDB had de door de SDAP-fractie gewenste expliciete uitsluiting van een welstandscriterium toen nog in strijd gevonden met de democratische geest van haar eigen voorgestelde nieuwe grondwetsartikel.[9] Uit dit alles had Wilhelmina Drucker in 1903 geconcludeerd dat de twee meest vooruitstrevende partijen weliswaar het woord ‘mannelijk’ uit het kiesrechtartikel in de grondwet hadden willen schrappen, maar dan met een nieuw onderscheid naar sekse ervoor in de plaats. Ze hadden vrouwen ‘een wassen neus’ aangeboden: ‘de fictie van misschien te eeniger tijd’ kiesrecht.[10]

Mei 1912: de staatscommissie van 1910 rapporteert

Pas in 1910 was er een kans geweest dat het front van de kiesrechthervorming zou bewegen, toen het christelijke kabinet-Heemskerk een staatscommissie tot herziening van de grondwet had ingesteld. Het was een breed samengestelde commissie geweest van prominente politici en juristen, met niet alleen confessionelen, maar ook liberalen, vrijzinnig-democraten en een sociaaldemocraat, Troelstra. Hoewel vrijwel de hele commissie het eens was geweest over de noodzaak van een kiesrechthervorming, was er geen meerderheidsvoorstel uit gekomen. Daarvoor dachten de zeventien leden te verschillend over de richting waarin het kiesrecht moest worden uitgebreid. Zo hadden de confessionele leden van de commissie zich verzet tegen het principe van kiesrecht als een individueel recht van elke staatsburger. Zij hadden het alleen willen toekennen aan gezinshoofden (maar – althans volgens de meesten van hen – dan weer niet als die gezinshoofden vrouwen waren). Uiteindelijk had een aantal commissieleden, individueel of groepsgewijs, eigen voorstellen geformuleerd die aan het verslag waren toegevoegd.[11]

Natuurlijk had Wilhelmina Drucker zich ook gebogen over het in mei 1912 verschenen eindverslag van de staatscommissie: aan de minderheidsnota’s had ze in juni en juli een hele serie artikelen in Evolutie gewijd.[12] Over het nieuwe voorstel van Troelstra had ze kort kunnen zijn, want hij had – volgens haar terecht – voor het kiesrecht in de grondwet nu geen verschil naar sekse meer willen maken. Ze was wel uitgebreid ingegaan op het gezamenlijke voorstel van het lid van de Raad van State Jacques Oppenheim (een neef van de voorzitter van de VVK, Aletta Jacobs) en VDB-fractievoorzitter Drucker. Dat voorstel had ze gehekeld omdat het – net als de VDB in 1903 – de algehele uitsluiting van vrouwenkiesrecht in de grondwet had willen vervangen door een mildere vorm van ongelijkheid. Algemeen mannenkiesrecht moest volgens Drucker en Oppenheim namelijk wel in de grondwet worden verankerd als een recht, terwijl zij voor vrouwen slechts de mogelijkheid hadden willen openen dat hun kiesrecht door de – gewone – kieswet geleidelijk zou worden ingevoerd.

Sommigen in de VVK hadden dat voorstel als een stap vooruit gezien, maar niet Wilhelmina Drucker. Inderdaad was een wijziging van de kieswet gemakkelijker dan een grondwetswijziging (namelijk met steun van de helft plus één van de zittende Tweede Kamer, in plaats van twee derde van een opnieuw gekozen Kamer). Maar daartegenover stond de praktijk in landen met algemeen mannenkiesrecht als Frankrijk, Zwitserland en Duitsland, die leerde dat vrouwenkiesrecht daardoor niet dichterbij was gekomen, integendeel. Daarom kon de vrouwenbeweging dit soort voorstellen beter niet steunen, maar verder strijden totdat heren als Drucker en Oppenheim ‘niets anders omtrent de vrouwen durven verklaren dan zij nu doen omtrent de mannen: “dat de tijd volledig rijp is.”’[13] Nederlandse kiesrechtactivistes moesten een voorbeeld nemen aan hun Engelse zusters. Die vertrouwden op eigen kracht én op politici die de eis stelden: ‘geen enkele uitbreiding van kiesrecht zonder invoering van vrouwenkiesrecht.’[14] In juni-juli 1912 had Wilhelmina Drucker dus geconstateerd dat de SDAP wel in de goede richting was opgeschoven, terwijl de VDB bij zijn oude standpunt van 1903 was gebleven.

En nu, in november 1912, was daar het concentratieprogram. Dat leek wat het vrouwenkiesrecht betreft op het teleurstellende vrijzinnig-democratische voorstel van zes maanden eerder en was vermoedelijk juist daardoor acceptabel voor beide liberale partijen, waar vrouwenkiesrecht omstreden was. De clausule tegen ‘dameskiesrecht’ maakte dat de SDAP mogelijk kon worden verleid tot samenwerking met deze drie ‘burgerlijke’ (dat wil zeggen niet-socialistische) partijen. Dat uit het VVK-bestuur enthousiaste geluiden over het plan van de concentratie klonken, verontrustte Drucker. Volgens haar conformeerden die bestuursleden zich aan het standpunt van de partij waarvan zij lid waren en verloren zo het doel van de VVK uit het oog.[15] Tussen de regels bleek aan wie ze allereerst dacht: de presidente van de VVK, Aletta Jacobs, lid van de VDB vanaf de oprichting.

1913-1914: Stille betooging en volkspetionnement

De vrijzinnige concentratie had succes. Weliswaar kregen de drie partijen bij de verkiezingen van 1913 samen slechts 36 van de honderd zetels, maar de SDAP had flink gewonnen, zodat er met de socialistische zetels mee nu een meerderheid voor algemeen mannenkiesrecht was – al kwam die met 54 niet in de buurt van de voor een grondwetswijziging benodigde twee derde. De SDAP, met haar 18 zetels nu een belangrijke speler, maakte meteen duidelijk dat voor haar vrouwenkiesrecht geen prioriteit had; als het algemeen mannenkiesrecht maar werd binnengehaald.[16] Omdat meeregeren voor de sociaaldemocraten een brug te ver was, kwam er een extraparlementair kabinet van liberalen en vrijzinnig-democraten onder leiding van de partijloze liberaal P.W.A. Cort van der Linden. Hij zegde toe het concentratieprogramma te gaan uitvoeren.

Dit was hét moment om aan het nieuwe parlement te laten zien dat vrouwen ook kiesrecht eisten. In de VVK was men echter niet alleen huiverig voor kritiek op de kiesrechtplannen van de concentratie, ook straatdemonstraties als methode van politieke beïnvloeding waren er zeer omstreden. Voor de critici van het hoofdbestuur zat er niets anders op dan een afzonderlijk Neutraal Vrouwencomité te vormen. Dat organiseerde op woensdag 17 september 1913, de dag na Prinsjesdag, een betoging op het Binnenhof. In de oproep van het comité aan vrouwen om te komen demonstreren was uitgelegd dat het schrappen van het woord ‘mannelijk’ in de kiesrechtartikelen van de grondwet niet genoeg was en dat vrouwen daar niet tevreden mee konden en mochten zijn:

Alleen dàn zal de nieuwe Grondwet rechtvaardig genoemd kunnen worden, als zij den wetgever den plicht oplegt, binnen een bepaalden tijd volkomen rechtsgelijkheid van man en vrouw in ’t leven te roepen.[17]  

Die ochtend reden, in een auto met een bord waarop ‘Wij vragen Grondwettelijke Gelijkstelling van Man en Vrouw’, twee veteranen van de vrouwenkiesrechtstrijd, Wilhelmina Drucker en Annette Versluys-Poelman (zij was de eerste negen jaar presidente van de VVK geweest), naar minister Cort van der Linden. Namens het comité boden ze hem een brief aan waarin werd gewezen op het onrecht dat vrouwen onder de bestaande grondwet geen enkele invloed konden uitoefenen op wetten en verordeningen en dat grondwettelijke gelijkstelling het enige juiste was. Desgevraagd legden ze de minister uit dat het uit de grondwet schrappen van de belemmering voor vrouwenkiesrecht niet genoeg was. De gewone wetgever kon vrouwen dan wel het kiesrecht geven, maar hij hoefde het niet te doen en kon het hen ook weer afnemen. Het motto waaronder vervolgens ruim duizend vrouwen enige tijd zwijgend het Binnenhof rond liepen, was ook ‘Grondwettelijke gelijkstelling van Man en Vrouw’.[18]

 

Binnenhof, Den Haag, 17 september 1913, met de auto waarin Wilhelmina Drucker en Annette Versluys-Poelman

naar Minister Cort van der Linden waren gereden © fotograaf onbekend, collectie Haags Gemeentearchief

 

De stille betoging op het Binnenhof in Den Haag, 17 september 1913

© fotograaf onbekend, Nationaal Archief/collectie Spaarnestad/Het Leven

 

Het hoofdbestuur van de VVK leek door het succes van de demonstratie op het Binnenhof ervan overtuigd dat het strijdpunt nu inderdaad ‘grondwettelijke gelijkstelling’ moest zijn, want het koos die eis voor de in 1914 te organiseren handtekeningenactie, een zogenaamd volkspetitionnement.[19]

 

Straatpropaganda voor het volkspetionnement, februari 1914. Op de sjerpen staat: 'Grondwettelijke gelijkstelling van Man en Vrouw'. Wilhelmina Drucker is de vijfde vrouw van links (fotograaf onbekend, Nationaal Archief/collectie Spaarnestad/Het Leven).

Drucker kon tevreden zijn over dit succes van haar hinderlijk volgen van het bestuur. Maar dat de SDAP en de VDB vervolgens doodleuk toezegden het petitionnement te steunen, zag zij als opportunisme. Die partijen hadden voor de verkiezingen toch gekozen voor het alleen vastleggen van algemeen mannenkiesrecht in de grondwet?[20] Volgens haar beloofde dit gemanoeuvreer weinig goeds voor de daadwerkelijke grondwetswijziging waarin het politieke spel van de heren uiteindelijk zou resulteren. En daarin zou ze gelijk krijgen.

1915-1916: Wetsontwerp en conflict

Het petitionnement voor grondwettelijke gelijkstelling liep vertraging op toen later in 1914 de oorlog uitbrak, waardoor veel vrouwen hun activiteiten verlegden naar de vredesbeweging. Maar in september 1915 was het zover: het VVK-hoofdbestuur bood minister Cort van der Linden bijna 165.000 handtekeningen aan. In de tussentijd had de regering een overeenkomst over grondwetsherziening (later de pacificatie genoemd) gesloten met de confessionele partijen, die in ruil voor subsidiëring van het bijzonder onderwijs hadden toegezegd mee te werken aan de invoering van algemeen mannenkiesrecht. In oktober 1915 kwam het kabinet met zijn wetsontwerp, dat wat het kiesrecht betreft overeenkwam met het concentratieprogram. Anders dan het algemeen mannenkiesrecht zou het vrouwenkiesrecht dus niet als recht worden verankerd in de grondwet, maar worden overgelaten aan de gewone wetgever, die het vervolgens in de kieswet naar wens kon regelen. Ook de anti-dameskiesrechtclausule, de uitgestoken hand van de concentratie richting SDAP, was overgenomen. Dit resultaat werd door de betrokken politici gepresenteerd als het uiterste waartoe de confessionele onderhandelingspartners hadden willen gaan.[21] Kennelijk hadden de opstellers van het concentratieprogram, drie jaar eerder, precies voorzien welke formulering ze moesten kiezen om enerzijds de SDAP en anderzijds de confessionele partijen niet af te schrikken en zo het algemeen mannenkiesrecht binnen te halen. De vrouwenkiesrechtbeweging daarentegen moest genoegen nemen met een onzekere toekomst.

Het hoofdbestuur van de VVK bleek intussen teruggekomen van het radicale standpunt van grondwettelijke gelijkstelling. Het had namelijk plannen gemaakt voor een grote demonstratie, te houden in 1916, waarvoor zij alvast alle vakverenigingen had uitgenodigd. Die kregen de verzekering dat zij mochten meedoen onder eigen leuzen, als er maar duidelijk uit bleek dat het doel van de demonstratie was: ‘het verkrijgen van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.’[22] Dat was een formulering die te verzoenen was met het kabinetsvoorstel: algemeen mannenkiesrecht nu en misschien later ook vrouwenkiesrecht, eventueel stapsgewijs in te voeren, met algemeen vrouwenkiesrecht als eindresultaat. ‘Grondwettelijke gelijkstelling’ daarentegen zou aanpassing van het wijzigingsontwerp vergen, een aanpassing waarvan de twee meest vooruitstrevende partijen, SDAP en VDB, al hadden laten merken dat ze er het algemeen mannenkiesrecht niet voor in de waagschaal wilden stellen. De draai van het hoofdbestuur werd in Evolutie dan ook geïnterpreteerd als het loslaten van de doelstelling van de VVK, namelijk met behoud van partijpolitieke neutraliteit uitsluitend voor vrouwenkiesrecht te strijden. De nu gekozen formulering ‘algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen’ week niet af van wat de VDB en de SDAP in hun partijprogramma’s hadden staan en intussen was gebleken hoeveel dat waard was. Het was politiek naïef om te denken dat het wel goed zou komen en niet te beseffen dat die partijen met de helft, dus algemeen mannenkiesrecht, ook al tevreden zouden zijn.[23] Kortom: een demonstratie onder dat motto zou slechts lippendienst bewijzen aan vrouwenkiesrecht, en daarmee eenvoudigweg steun betekenen voor het kabinetsvoorstel en loochening van het eigen succesvolle petitionnement.[24]

Niet alleen Wilhelmina Drucker en Josephine Baerveldt-Haver (de zuster van Dora Haver was haar opgevolgd als mederedactrice van Evolutie) vonden dat het hoofdbestuur te ver was gegaan. Het liep uit op een conflict binnen de VVK, met een protestbrochure getiteld Geen blinde volgelingen en een Buitengewone Algemene Vergadering op 13 en 14 mei 1916. Drie dagen later publiceerde Drucker de verklaring ‘Waarom ik niet langer lid wil en kan zijn van de Ver. v. Vrouwenkiesrecht’. Het antwoord vatte ze samen als:

omdat zij [de VVK] niet meer is politiek neutraal;

omdat ik deze Grondwetsvoorstellen niet vind in het belang der vrouw, ergo geen stap wil verzetten om ze tot Grondwet verheven te krijgen;

omdat ik het tegenover de komende generatie niet zou kunnen verantwoorden, dat ik mede had geholpen aan het alle mannen verklaren tot regeerders, alle vrouwen tot sujetten.[25]

De oppositiegroep richtte een nieuwe vereniging op, De Neutrale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, om te strijden voor de oorspronkelijke doelstelling van de VVK. De inmiddels bijna zeventigjarige Drucker wilde niet in het bestuur, omdat zij vond dat jongere krachten de leiding moesten nemen.[26]

1919: Vrouwenkiesrecht in de kieswet

Eind 1917 was het zover. Na de nodige Kamerdebatten, ontbinding van beide Kamers en verkiezingen met de afspraak de samenstelling van de Tweede Kamer onveranderd te laten was de grondwetsherziening rond. De tekst over het kiesrecht kwam overeen met die in het concentratieprogram van 1912, zodat die drie partijen tevreden konden zijn, net als de SDAP, die hen had gesteund. Een domper was wel dat de eerste Kamerverkiezingen met algemeen mannenkiesrecht een overwinning opleverden voor de aanvankelijke tegenstanders ervan, zodat er in juli 1918 een confessioneel kabinet aantrad. Dat voelde zoals te verwachten was niets voor vrouwenkiesrecht, zodat Druckers voorspelling leek uit te komen dat het Sint Juttemis zou worden. Het initiatiefwetsvoorstel tot invoering van algemeen vrouwenkiesrecht dat toenmalig VDB-leider Henri Marchant twee maanden later indiende, veranderde die stand van zaken niet.

Maar toen kwam de oorlog tot een einde, gevolgd door revolutionaire onlusten in Duitsland. Uit vrees dat die naar Nederland zouden overslaan bleek het kabinet plotseling bereid tot allerlei sociale hervormingen, en minister-president Ruijs de Beerenbrouck trok in november 1918 op eigen houtje onverhoeds het verzet van de regering tegen het vrouwenkiesrecht in.[27] Evolutie reageerde met een waarschuwing: ‘Nu vooral: hoog het beginsel’. De Nederlandse vrouwenbeweging moest niet juichen, maar juist krachtig front maken tegen het voorstel van Marchant. Grondwettelijke gelijkstelling had nu prioriteit, want als deze aanpassing van de kieswet eenmaal zou zijn aangenomen, was er geen reden meer om voor het vrouwenkiesrecht de grondwet nog te wijzigen. Dan zou het verschil blijven bestaan: ‘De man ontvangt zijn stembiljet als een hem toekomend burgerrecht, de vrouw kan het slechts krijgen als gratie.’[28] Tevergeefs. Het voorstel werd in mei 1919 door de Kamer aangenomen en kreeg in september kracht van wet. De VVK vierde feest, maar Wilhelmina Drucker niet, want ze verwachtte niet dat de grondwettelijke gelijkstelling er op afzienbare termijn zou komen. Daarin kreeg ze nu eens geen gelijk en zo heeft ze nog kunnen meemaken dat drie jaar later, in 1922, gerealiseerd werd waar ze zich al die jaren voor had ingezet: kiesrecht zonder onderscheid naar sekse verankerd in de grondwet.


Noten

[1] ‘De Vrouwenbeweging in Nederland’ [III], Evolutie 2, 32 (7-12-1894).

[2] Fleur de Beaufort e.a., Tussen geschiktheid en grondrecht. De ontwikkeling van het Nederlandse kiesrecht vanaf 1795 (Amsterdam 2018) 224.

[3] ‘Een stap voor- of achteruit? [I]’, Evolutie 20, 16 (20-11-1912).

[4] ‘Een stap voor- of achteruit? II’, Evolutie 20, 17 (4-12-1912); zie ook Marianne Braun, ‘Mannen gaan vóór. De Neutrale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en de pacificatie van 1917’, Tijdschrift voor Genderstudies 20 (2017) 1, p. 12.

[5] ‘Een stap voor- of achteruit? II’, Evolutie 20, 17 (4-12-1912).

[6] Ulla Jansz, ‘Dameskiesrecht en herenkiesrecht. De beweging voor algemeen kiesrecht tegenover vrouwenkiesrecht, 1890-1893’, Historica 42 (2019) 2, 24-30.

[7] ‘Een stap voor- of achteruit? II’, Evolutie 20, 17 (4-12-1912).

[8] TK 1902-1903, Bijlagen, 208, 1-3, ‘Voorstel van wet van den heer Troelstra c.s.’, 4-8-1903.

[9] TK 1902-1903, Bijlagen, 123, 1-3, ‘Voorstel van wet van den heer Drucker c.s.’, 20-2-1903.

[10] ‘Wasse neuzen’, Evolutie 11, 10 (12-8-1903), p. 73-77.

[11] Verslag der grondwetscommissie ingesteld bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1910, No. 16.

[12]‘Grondwetsherziening [I-IV]’, Evolutie 20, 5-8 (5-6-1912 - 17-7-1912).

[13] ‘Grondwetsherziening [II]’, Evolutie 20, 6 (19-6-1912).

[14] ‘Grondwetsherziening [III]’, Evolutie 20, 7 (3-7-1912).

[15] ‘Waar is de neutraliteit?’, Evolutie 21, 2 (23-4-1913).

[16] ‘Waar zijn wij?’, Evolutie 21, 7 (2-7-1913); ‘Binnen de grenzen’, Evolutie 21, 9 (30-7-1913).

[17] ‘Vrouwenbijeenkomst’, Evolutie 21, 11 (27-8-1913).

[18] ‘De betooging’, Evolutie 21, 13 (24-9-1913).

[19] ‘Vergaderingen’, Evolutie 21, 20 (31-12-1913).

[20] ‘De ware schuldigen’, Evolutie 21, 23 (11-2-1914).

[21] TK 1915-1916, Bijlagen, 226, 1, ‘Voorstel van verandering in het IIde, IIIde, IVde hoofdstuk en in de Additionele Artikelen der Grondwet’, 29-10-1915; Alexander van Kessel, ‘”Wat het zwaarste weegt”. De confessionelen en de parlementaire strijd om actief kiesrecht voor vrouwen’, in: Sophie van Bijsterveld en Hillie van de Streek (red.), Wat komen jullie hier doen? Vrouwenkiesrecht tussen geloof, politiek en samenleving (1883-2018) (Nijmegen 2018) 89-120; De Beaufort e.a., Tussen geschiktheid en grondrecht, 238.

[22] ‘Berichten’, Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht 19 (1915) 9.

[23] ‘Een puzzle’, Evolutie 23, 23 (20-10-1915).

[24] J.S.R. Baerveldt-Haver e.a., Geen blinde volgelingen. Opgedragen aan de leden der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht [Amsterdam 1916] 9, 15-16.

[25] W. Drucker, ‘Waarom ik niet langer lid wil en kan zijn van de Ver. v. Vrouwenkiesrecht.’, Evolutie 24, 4 (17-5-1916).

[26] Braun, ‘Mannen gaan vóór’, 15.

[27] Marianne Braun, ‘De strijd om de vrouwenstem. Het kiesrecht in het partijpolitieke scenario van 1917 tot 1922’, Historica 42 (2019) 2, 31-37; Van Kessel, ‘”Wat het zwaarste weegt”’, 107-109.

[28] ‘Binnen de grenzen’, Evolutie 26, 17 (13-11-1918); ‘Nu vooral: hoog het beginsel’, Evolutie 26, 18 (27-11-1918).

Aanvullende informatie

  • Gepubliceerd: 03 december 2019
Laatst aangepast: 24 juni 2020
Meer in deze rubriek: « Initiatieven

Wilhelmina Drucker